Kristof Uittebroek (Customs) PDF Print E-mail
Gearspot Guest Gear
Written by imlikeajungle   
Sunday, 31 October 2010 15:25

 


Voorjaar 2009: het jaar sleept zich langzaam voort, op muzikaal vlak valt er bitter weinig te beleven, de aprilse grillen zijn bijna aan het eind van hun Latijn … Wanneer plots: Boem! Paukenslag! Customs!

Nummer één in ‘De Afrekening’ voor debuutsingle ‘Rex’, een triomf in de Wablief?!-tent op Pukkelpop, getekend bij platenlabel EMI, nummer één met ‘Justine’, lovende pers in binnen- en buitenland voor debuutalbum ‘Enter The Characters’, ‘Rex’ op nummer één in ‘De Eindafrekening’. In 2010 volgen nog twee succesvolle singles en dito videoclips, een opgemerkte passage op Rock Werchter, en een hele rist optredens in Neder-, Duits-, maar ook Belgenland.

Customs is op goed een jaar tijd een gevestigde naam geworden in de Belgische rockwereld, met hun aanstekelijke mix van kale new wave en weerbarstige indierock; én een reeks strakke riffs. Strakke riff of wijdbeense tap-solo? “Makkelijkste vraag van het interview: strakke riff!” Een gesprek met frontman Kristof Uittebroek over zijn gear, zijn sound en zijn zoektocht naar het onderkoelde.

 

 

 

Customs heeft een herkenbare sound; volgens velen schatplichtig aan Interpol of Joy Division. Wat zijn de bewuste invloeden in die sound?

Kristof Uittebroek: Instrumentaal gezien hoor ik eigenlijk bitter weinig Interpol. Over de gelijkenis qua zangstijl zal ik niet twisten. In de periode waarin ik voor het eerst achter de micro stond, luisterde ik vaak naar Interpol, en blijkbaar is zoiets redelijk bepalend. Ik maak me sterk dat dat bij de volgende plaat al helemaal anders zal zijn.

Naast Interpol zijn The Smiths zeker een invloed, maar ook The Cure   veel meer dan Joy Division. Ook 'cheesy' dingen als Spandau Ballet, Talk Talk, en Human League behoren tot het spul waar Customs graag naar knipoogt. En Kraftwerk. Ik probeer bij Customs muziek te maken die bij wijze van spreken door computers en synths zou kunnen gemaakt worden. Het menselijke er zoveel mogelijk uithalen, hoekig en recht, omdat ik denk dat dat past bij onze sound. Joy Division is niet echt een invloed; hun muziek zegt me niet zoveel. Ik ben in de allereerste plaats toch een man van melodieën   dat was zelfs bij (hardcoreband) Circle al zo.

Inspiratiebronnen bewust gebruiken: ja en nee. Waar ik eerder van hou is een hoop herkenbare elementen samen gooien, en die kneden tot iets nieuws. Maar eigenlijk denk ik in het kader van Customs niet zoveel na over invloeden; veel meer over tegenstellingen. Ons ideaal is muziek die zo onderkoeld mogelijke klinkt, maar die bij de luisteraar toch een warm gevoel weet op te wekken. Alles wat we doen, staat in het teken van die zoektocht.

Wie zijn je muzikale helden?

KU: Brian May is voor mij een überheld, samen met Paul McCartney en David Bowie. Er gaat geen dag voorbij zonder dat ik minstens één nummer van The Beatles herbeluister: de melodieën hè. Als het specifiek over gitaristen gaat, bewonder ik ook Mick Ronson, al was ook hij veel meer dan alleen een onvoorstelbaar straffe gitarist. Ik merk dat ik hoe langer hoe meer opkijk naar de allrounders; mannen die niet alleen heel goed zijn in één ding. Bowie, Freddie Mercury, Neil Hannon van The Divine Comedy, ...

Je bent het meest te zien met een zwarte Telecaster – is dat ‘de’ Customs-gitaar voor jou?

KU: Inderdaad, mijn beste vriendin op het podium is sinds Pukkelpop 2009, deze zwarte Fender American Vintage 62 reissue Custom Telecaster. Ze is volledig stock, alleen heeft Hilko (Nackaerts, gitaarbouwer) de nek afgeschuurd. Ze is daardoor wel vatbaarder voor sleet, maar het voelt heerlijk aan. Tele’s zijn onverbiddelijk als het op je spel aankomt, maar daar staat tegenover dat ze voor de rest zowat alles verdragen. Gooi ze in het rond zoveel je wil, ze raakt niet eens ontstemd. Maar belangrijker: een Tele ontziet niets of niemand in de mix. Ze snijdt overal door, zeker in combinatie met een Fender amp.

‘Enter The Characters’ is – raar genoeg – dan weer voor 95% opgenomen met mijn Gibson ES-335. Ze is van begin jaren ’90 en heeft een headcrack gehad, maar die gitaar heeft hét gewoon. Het is ook de gitaar die mee aan de wieg stond van Customs: elk nummer is geschreven met die gitaar in de hand, meestal zelfs unplugged. In eerste instantie was ik de enige gitarist en kon ik eender welke gitaar kiezen. Toen Jelle (Jansse, gitarist bij Customs) bij de band kwam, en hij een Gibson meebracht, merkte je onmiddellijk dat het evenwicht een beetje verdween. Ik moest dus iets kiezen dat de totaalsound opnieuw uitbalanceert. De Tele dus!

De zwarte Les Paul Custom, die je onder andere in de clip van Rex ziet, is een Custom Shop '54 Reissue. Of beter: was, want ik heb ze recent verkocht. Fijne gitaar hoor, maar ik vond ze in veel gevallen onbruikbaar. Jelle was er meteen verliefd op, maar omdat ik ze eerst nog niet wilde wegdoen is hij zelf op zoek gegaan naar een identiek exemplaar   al zijn er daar niet al te veel van te vinden. Sinds hij ze heeft, is het zijn standaardgitaar voor Customs. Op het podium vullen mijn Telecaster en zijn Les Paul elkaar blijkbaar perfect aan. Onze front-of-house technicus stuurt me iedere keer opnieuw de backstage in als ik met een andere gitaar op het podium verschijn. Een andere Tele mag ook nog wel, gelukkig.

Zijn er verschillen tussen deze live- en de studio-aanpak van jullie gitaargeluid?

KU: Live en studio zijn bij ons behoorlijk verschillend. Alles klinkt live een stuk ruiger, dat zal wel met ons gezamenlijk verleden te maken hebben. Op een podium wil je toch vooral impact hebben op de mensen, zeker als ze je nog niet kennen. Maar in de studio willen we dat ruigere juist vermijden. Customs heeft een kille, onderkoelde sound nodig; energie is dan minder belangrijk. Toch vind ik het een moeilijk evenwicht: een nummer dat wat energieker gebracht wordt dan op plaat krijgt iets extra; maar breng je het te energiek, wordt het banaal.

Een ander verschil is de factor Jelle: bij de opnames van ‘Enter The Characters’ kende ik hem ongeveer 3 weken, heel veel heeft hij toen niet gespeeld. Intussen is dat heel anders, en we kijken erg uit naar de opnames van ons tweede album. Ik heb het gevoel dat we elkaar in de studio uitstekend aanvullen, zoals dat live ook het geval is.

Ben je in de studio meer bezig met je basisgeluid goed te krijgen of steek je liever tijd in speciale effecten en geluiden?

KU: Ik ben niet geneigd tot veel franjes: met een goeie engineer in de buurt duurt het meestal maar een paar minuten om mijn basissound te vinden.

Vroeger was ik daar heel naïef in, ik kocht dolgraag van die speciale effectpedalen – dingen als de EHX HOG, of de Moog Murf. Dat zijn nu misschien alledaagse effecten, maar toen die pedalen net op de markt kwamen leek het voor mij alsof je nu echt nog eens iets nieuws zou kunnen doen met een gitaar. Wat uiteraard niet waar was. Je bent dan geneigd zo’n ding veel te gebruiken, en dan merk je dat je snel uitgespeeld bent. Een goeie melodie of een ijzersterke riff gaan toch een pak langer mee dan een leuk effectje. Wat bij de eerste beluistering supertof lijkt, gaat bij de vijfde keer al vaak vervelen.

Daarom probeer ik nu weg te blijven van zo'n dingen. Ik heb eigenlijk twee basissounds, eentje met en eentje zonder fuzz; daarmee doe ik alles. Dat verplicht me om de muziek interessant te maken zonder daarvoor mijn toevlucht te zoeken tot steeds andere geluiden.

Niet dat ik alle andere effecten nu mijd: ik vertel natuurlijk geen geheim als ik zeg dat chorussen, flangers en delays een niet onbelangrijke rol spelen in het geluid van Customs. Maar ik probeer er spaarzaam mee om te springen.

Hoe is je gitaar- en tone-smaak door de jaren sinds hardcoreband Circle via Larsson tot Customs geëvolueerd?

KU: Mijn eerste elektrische gitaar was een Ibanez Artist uit 1979. Met een Marshall Valvestate combo. Met die setup heb ik ‘Radiostation Infiltration’, de eerste plaat van Circle, opgenomen. Dat lijkt nu bijna ondenkbaar, all thanks to the interwebs. Maar goed, het werkte voor ons.

Die Valvestate heb ik nu niet meer, de Ibanez evenmin.

Het zegt veel over mij dat ik mijn eerste elektrische gitaar, waarmee ik zoveel avonturen heb beleefd en zoveel shows heb gespeeld, simpelweg verkoop. Maar ik weiger een museum te worden: wat ik niet meer gebruik gaat onverbiddelijk de deur uit. Ik heb die Ibanez verkocht aan een jonge gast die de smaak van het gitaar spelen echt te pakken had. Hij had duidelijk ook talent, maar weinig geld. Ik zag hem spelen bij mij thuis en dacht aan mezelf toen ik 17 was. Vervolgens heb ik hem die gitaar verkocht voor veel te weinig geld en daar ben ik nog altijd blij om.

Na de Valvestate heb ik een Marshall JCM2000 TSL100 gekocht. Alweer een amp die op alle mogelijke fora met modder wordt besmeurd, maar ik was er heel blij mee. In die dagen was ik volledig weg van de sound van Entombed en hun neefjes van Nine: heavy, maar met verbazingwekkend weinig ‘gain’. Zo gingen we met Circle ook te werk, en op die manier klonken we al vanaf de eerste aanslag anders dan alle andere hardcorebands. Het waren immers de hoogdagen van de H8000 metalcore, waar de gain vaak op 11 stond. Met die TSL hebben we dan ‘The Day Elvis Shook His Ass’ opgenomen, en tot op de dag van vandaag ben ik best tevreden over die gitaarsound.

Na twee platen vond ik dat ik wel een tweede gitaar verdiend had, en dat werd een Gibson Les Paul Junior. Ik wilde een Les Paul, en dat was simpelweg de enige die ik kon betalen. Met die Les Paul en met de TSL heb ik dan ‘Vaudeville’ opgenomen. Een maand later kocht ik een Orange Overdrive, dat was ook een lekkere brok: werkte uitstekend met de Junior.

Toen kocht ik ook mijn eerste Tele. Die combinatie werkte minder: zelfs met alles op tien vond ik nog dat er iets miste. Dan heb ik mijn allereerste effectpedaal gekocht: een MXR Micro Amp, exact wat ik nodig had. Dat was een soundje waar ik met veel plezier aan terugdenk: Les Paul Junior, Orange op 10, en de Micro Amp net over halfweg.

In de laatste jaren met Circle leerde ik Tele’s appreciëren, en gaandeweg geraakte ik verknocht. Ik had het kunnen weten, want mijn favoriete gitaar was mijn Gibson Les Paul Junior: de drang naar iets ‘basic en eerlijk’ zat er dus al meteen in.

Na Circle begonnen we met Larsson en was het echt zoeken naar iets anders. Qua gitaar was snel duidelijk dat ik een Tele ging gebruiken. Een versterker kiezen was moeilijker, ineens stapelden de amps zich op: de Orange, een Silverface Fender Pro Reverb, een Marshall Bluesbreaker. Die laatste heeft het uiteindelijk gehaald, al de rest ging in de verkoop.

Daarna leerde ik het fenomeen ‘gear forum’ kennen, en ging een hele wereld voor me open. Als ik thuis ben, zal ik altijd met muziek bezig zijn: componeren en spelen. Als dat niet kan – bijvoorbeeld op mijn werk – vervang ik dat met surfen op gear fora. Zo ontdekte ik dat er nog honderden merken versterkers bestaan waar ik nog nooit van had gehoord.

Na lang wikken en wegen heb ik dan een Divided By 13 RSA23 gekocht. Pokkeduur, onverantwoord eigenlijk, maar wel een superversterker: de hele Customs-plaat is er mee volgespeeld.

Die versterker heeft me wel een belangrijke les geleerd: waar ik ook op speel, na 10 minuten klink ik toch als Kristof Uittebroek. Ik ben dat dan maar als een kwaliteit gaan beschouwen, en ik heb de /13 verkocht. In de plaats kwam iets waar ik echt wild van ben: een Mesa Boogie Lonestar Classic. Daar kan ik nu eens alles mee spelen, geen enkele beperking. En de bouwkwaliteit is absoluut top. Ik las dat Prince ze live ook gebruikt!

Maar live speel je nu op een FAD-versterker, voldoet de Lonestar dan niet?

KU: Zeker wel: als ik één versterker mocht houden, was het de Lonestar.

Maar Customs heeft nu gezamenlijk voor een FAD-backline gekozen. De belangrijkste reden is eerlijk gezegd eerder visueel. Het begon ons te dagen dat het redelijk onnozel was om veel productiebudget te besteden aan een backdrop en een echte goeie light engineer als je daar dan staat met een kleurenkermis aan versterkers. Stefaan (van FAD) servicete onze amps sowieso al, dus we kenden zijn spul. Hij weet beter dan wie ook wat een band op het podium nodig heeft. En ik ken niemand anders die het onbegrijpelijk geformuleerde jargon van gitaristen zo goed kan vertalen naar een paar eenvoudige maar uiterst doeltreffende tweaks.

Ik heb een FAD Blues Devil, maar intussen blijft van het oorspronkelijke karakter van die amp niks meer over. Stefaan heeft hem voor mij getweakt, volledig zoals ik het in mijn hoofd had, ook al ken ik niks van electronica. Ik wil dat graag zo houden: ieder zijn job.

Welke gitaren heb je nu nog?

KU: Ik heb nu zeven gitaren: de Fender American Vintage 62 Reissue Custom Tele, een

Fender American Standard Tele uit 1991, een Gretsch Hot Rod Brian Setzer, die Gibson ES-335 uit 1991 met de headcrack, een Gibson Les Paul Deluxe uit 1981, een Gibson Custom Shop VOS Les Paul SG 61 Reissue en een Gibson Custom Shop VOS Les Paul 1960 Reissue. Waar ik op speel, hangt echt af van het moment. De ene dag wil ik een Les Paul, dan weer de Gretsch of een Tele. Als het er écht op aan zou komen, zou ik mijn ES-335 waarschijnlijk als enige houden. Fender heeft volgens mij maar één goeie gitaar – al is die dan ook wel meteen fantastisch.

Welke pedaaltjes zorgen er voor die onmiskenbare 'koude' gitaarsound?

KU: Mijn live setup is van gitaar naar versterker: MI-Audio Neo Fuzz, MI-Audio Blues Deluxe of T-Rex Dr. Swamp, Planet Waves stemkastje, een Maxon CS-550 Stereo Chorus die ik soms vervang voor een EHX Stereo Electric Mistress, Boss DD20 Giga Delay.

Thuis of in de studio zitten er vier alternatieven voor elke pedaal in de keten, maar live moet ik het echt simpel houden. Aangezien ik de frontman ben, wil ik me ook op die rol kunnen concentreren.

Als het heel extreem moet kan ik de klus wel klaren met enkel de chorus. Ik heb dat eens moeten doen toen mijn Visual Sound Pedal Power 2 het begaf in de hitte van de zon.

Zoals ik al zei: vroeger was ik helemaal wild van the crazy stuff, maar die tijd is definitief voorbij. Sindsdien heb ik nooit nog iets gekocht dat me niet beviel. Met één uitzondering op de regel: de EHX Holy Grail Plus vond ik wérkelijk niks. Bij gitaren heb ik dat soms nog wel. Ik heb nu te allen tijde ongeveer zeven, acht gitaren; maar zowel met mijn Stratocaster als mijn Jazzmaster is het niks geworden.

Er zijn ook een paar doosjes die ik al een paar keer gekocht, verkocht, en toch weer gekocht heb, zoals de Boss RE-20 en de Zvex Box of Rock. Om de zoveel tijd komen er wel een paar bakjes bij, meestal variaties op hetzelfde thema: een fuzz, een flanger, een delay ... Analoog of digitaal maakt me niet uit: het doel is het enige relevante.

Ik ben een perfectionist, maar ik merk dat de focus van mijn perfectionisme al een tijdje aan het verschuiven is. Ik heb duidelijk mijn geluid gevonden en ben daar dus niet meer zo fanatiek mee bezig. Ik was vroeger een volbloed gitarist maar begin meer en meer songschrijver te worden. Al ben ik er nog lang niet.

Check Customs op het web:

http://www.customstheband.com

http://www.myspace.com/customstheband

Reageren op dit artikel kan op ons forum, in dit topic (klik!).

 

 

Last Updated on Saturday, 05 November 2011 15:50